Body Dysmorphic Disorder (BDD)
Ontevredenheid over het eigen uiterlijk komt veel voor. Soms schiet het echter behoorlijk door en raken mensen geobsedeerd door lichaamsdelen die zij lelijk vinden. Deskundigen schatten zelfs dat in de westerse wereld inmiddels één op de honderd mensen lijdt aan één of andere vorm van ingebeelde lelijkheid.
Kenmerken van Body Dysmorphic Disorder (BDD) zijn een preoccupatie met een vermeende misvorming van het lichaam of buitensporige bezorgdheid over een lichte fysieke afwijking. De preoccupatie leidt onmiskenbaar tot ongemak of hinder in sociale, beroepsmatige of andere gebieden van iemands functioneren. De preoccupatie is niet toe te schrijven aan een andere stoornis zoals bijvoorbeeld anorexia nervosa of hypochondrie.
De ontevredenheid over het uiterlijk, waar ieder mens bij tijd en wijle weleens mee kampt, is bij mensen met BDD doorgeschoten. Mensen met BDD zijn er in de loop van hun leven zo door geobsedeerd geraakt, dat ze aan niets anders meer kunnen denken en vrijwel nergens anders meer aan toe komen. Hun hele bestaan draait om dit ingebeelde probleem van lelijkheid die hun in hun eigen ogen zo afstotelijk maakt dat ze zich nauwelijks meer ergens durven te vertonen.
Waarom onvrede met het uiterlijk bij sommige mensen doorschiet naar een obsessie, is nog niet helemaal duidelijk. Verder hebben BDD-patiënten opvallend weinig andere zaken waaraan zij zelfvertrouwen en zelfwaardering ontlenen. Hun lichaam bepaalt dus in hoge mate hun zelfbeeld. Als het niet voldoet aan hun eigen norm, dan kan dat zo’n probleem worden dat de patiënt gaat walgen van zichzelf, zich niet meer aan anderen durft te vertonen, allerlei obsessieve en compulsieve doe- en denkrituelen ontwikkelt om het nare gevoel te bezweren, sociaal geïsoleerd raakt, depressief wordt en uiteindelijk zelfs zelfmoordneigingen krijgt.
Het ergste van alles is dat BDD-patiënten gedurende deze neerwaartse spiraal de kern van het probleem zo lang mogelijk proberen te verhullen. Ze gaan wel naar de dokter of psychotherapeut, maar zeggen dan dat ze zo moe, nerveus of depressief zijn en meer niet. Het gevolg is dat ze een behandeling krijgen die de plank misslaat en hun probleem niet oplost. Het is voor een BDD-patiënt verschrikkelijk moeilijk om aan te geven dat alles eigenlijk draait om zijn afkeer van een eigen lichaamsdeel. Want daarmee geeft hij zichzelf bijna letterlijk bloot en doet het laatste wat hij eigenlijk wil, namelijk de aandacht van een ander vestigen op dat lichaamsdeel. Toch moet de waarheid boven tafel komen, wil behandeling enige kans van slagen hebben. De aanpak van BDD staat nog in de kinderschoenen, omdat de stoornis pas de laatste vijftien jaar wordt erkend als een afzonderlijke kwaal en niet als een symptoom van iets anders. BDD-patiënten zijn waarschijnlijk niet helemaal te genezen. Maar de stoornis kan wel met behulp van verschillende vormen van psychotherapie worden teruggebracht tot een probleem waarmee te leven valt. De patiënt kan leren zijn negatieve denkpatroon om te buigen en af te breken, zijn bezwerende rituelen af te bouwen, zijn vertekende beeld van zichzelf meer waarheidsgetrouw te maken en het beeld bij te stellen dat hij denkt dat medemensen van hem hebben. Bovenal kan een patiënt met behulp van therapie leren minder belang te hechten aan het lichamelijke en meer zelfwaardering te putten uit andere mooie, goede en sterke eigenschappen. Hoe eerder dat gebeurt, hoe beter.





